Schemerlijven

Ik zag de schemerlijven
Van zwanen op het huiverspel
Van sombren spiegel drijven-
Ik wist, ik stond voor Tintagel…

Een vreemde wil dreef mij gevangen,
En hief mij over ’t steile diep.
Ik gleed door poort en gangen
Waar alle klank en echo sliep.

Ik trad mijn hooge kamers binnen,
Eén starre leêgheid wakensmoê.
Een bleeke vrouw in armlijk linnen
Zag uit het kwijnend zilver toe.

Ik talmde als een die komt te nemen
En niet weet wat hij nemen moet:
Gewaden, ringen, diademen,
Het leek mij onbegeerlijk goed.

Ik bleef in doelvergeten poozen
Gesteund aan ’t schemerbleek kozijn…
Een flauwe geur van welke rozen
Leefde op den matten maneschijn.

Mijn handen beefden te vergâren
Al wat daar nog van mij verbleef,
Den geur der doode jonge jaren,
Die op den dooven luister dreef.

Tintagel
Ik zag de schemerlijven
Dichter: P.C. Boutens
Toonzetting: Anton Greefkes

Terug naar P.C. Boutens