Jaqueline van der Waals

1868-1922

De persoonlijke contacten van Jacqueline van der Waals met de Tachtigers beperkten zich tot tennissen met Herman Gorter. Wat hun ideeën betreft: evenals de impressionisten had ze in haar poëzie grote aandacht voor de natuur en het licht. Ook was ze in zekere zin estheticiste. Schoonheid was voor haar het zo zuiver mogelijk weergeven van een emotie. Haar christelijk geloof deed haar echter uitstijgen boven het individualisme.
Jacqueline van der Waals (dochter van een Nobelprijswinnaar) was een intelligente vrouw. Behalve de moderne talen kende ze Zweeds, Noors, Deens en Italiaans; ze schreef essays over Selma Lagerlöf (1858-1940), Ibsen (1828-1906) en Kierkegaard (1813-1855). Haar werk als lerares viel haar zwaar. Liever deed ze, verbonden aan het Koning Willemshuis, praktisch sociaal werk.

Haar poëzie verscheen in vier bundels met bescheiden titels: Verzen (1900, onder het pseudoniem UEV = Una ex vocibus, één uit de stemmen), Nieuwe verzen (1909), Iris (1918) en Laatste verzen (1922). Haar enige roman Noortje Velt (1907) heeft als thema: hoe vindt de mens, vanuit eenzaamheid en onzekerheid, zijn weg in het leven? Dat de hoofdfiguur Ursula Eleonora Velt (UEV!) heet, wijst op autobiografische trekken.

Haar gedichten zijn helder (Nijhoff schreef erover: ‘In zuiver water ziet men de bodem.’) en vonden een groot publiek. Door herdrukken en bloemlezingen zijn ‘De najaarslaan’, ‘Het geiteweitje’ en ‘Sinds ik het weet’ nog altijd zeer bekend.