Adieu

IK ben niet meer met u alleen
en op de peluw is er geen
geen lieveling die lot en leed
zo onafwendbaar zeker weet

Geef mij uw mond en zie mij
lang voor de zon, lang voor de maan
verzinken in de wereldmist
zijn onze namen uitgewist.

En wat mijn hand te strelen vond
zal liggen in de wintergrond
en wat mijn stem aan u bescheen
is weggedaan en vindt niet één

Geen slapeling die ’t wonder weet
dat uwe zachtheid aan mij deed
de vlam die door de nachten sloeg
wordt morgenrood en is genoeg

Zie sterren reizen langs het raam,
het stroomt een knaap ving aan
en zong adieu dit lied heeft uit,
mijn kleine, klein zomerbruid