Kapucijnerrots

Er rijst in ’t bloeiend goudbergdal
een wonderbare rots
Zij is de schrik der buitenjeugd
men noemt z’n straffe Gods
Eens dwaalde daar een jonge maagd
en dacht aan geen gevaar,
toen een gestalte zwaar en grof,
ziet naderen tot haar

Een brede baard een brede rok,
vermomt de menschenschijn.
Het meisje meent een beer te zien,
het is de kapucijn
Zij schrikt en neemt gezwind de vlucht,
maar zij wordt nagesneld
en voelt aan kapucijnerhart
zich onverwijld gekneld.

O, bloempje van eenvoudigheid,
verban uw dwaze schrik;
Ik ben de beste grijze man,
o vest op mij uw blik
Ik ben de beste grijze man,
een vader zacht van aard.
Ontvang mijn zegen lieve kind,
en beeft niet voor mijn baard.

Zo fonklend echter wordt zijn blik
zo hevig zijn gebaar.
Dat hij de grize drommel¹ schijnt,
gekleed als kluizenaar
“O, Moeder Gods, Maria,! Och!
Verwerp mijn bede niet;
Verlos mij!” roept zij jamrend uit
En ziet wat fluks geschied
In steen verandert pij en pels
en huichelende schijn,
En ’t_graf ontmoet in eigen rok
De valse kapucijn

Doch meisjes, waagt u niet te licht,
niet steeds verkeert in steen
De kluizenaar die bloempjes leest;
dat leert ons menigeen.
O, weest niet speelziek hupt noch raast
Als gij het dal doortrekt.
Opdat gij met uw toverstem
de kapucijn niet wekt.

Zang en bandonion: Anton Greefkes