Kleine ballade op de eigen dood

Kleine Ballade Op De Eigen Dood

  Lichaam, als in de kruin der olmen,
de wind zich nestelt dol en hees,  
dan stort ook gij uit uwe vormen,
dan naderen de regenwormen  
en houden intocht in uw vlees.

Zij vreten rood van gier en beven  
en met een hunkerende bek,
de warme mantel van dit leven,  
het lijf, ons eenmaal meegegeven,  
tot op de laatste zachte plek.    

  Beenderen, als met zwarte veren  
de raaf tussen de resten zit,
wees stil en wil u niet verweren,  
wanneer hij moe van ’t potverteren  
terneer zit op een vingerlid.      

Maar rijs als een aaneengeregen  
geraamte uit de katafalk,  
strek dor uw hand de einder tegen  
en laat hem vliegen met uw zegen  
gelijk de valkenier de valk.      

Overal liggen duizend doden.
de aarde is een doodsvallei
en als de dagelijkse broden
voor worm en raaf, onder de zoden
gestorven, liggen ik en gij –

Terug naar Bertus Aafjes

Overal liggen duizend doden.  
de aarde is een doodsvallei  
en als de dagelijkse broden  
voor worm en raaf, onder de zoden   gestorven, liggen ik en gij –

Prins
Ik, als gij in hoger sferen,  
van aangezicht tot aangezicht
met God en met de Hoge Heren,  
eet, drinkt of dobbelspeelt wellicht,  
bedenk dan hoe in de gedaante
van poederstof of beendergruis,  
uw eigen broeder, het Geraamte,  
verwildert in een knekelhuis

Kleine Ballade Op De Eigen Dood
Gedicht: Bertus Aafjes
Toonzetting: Anton Greefkes