Harry Prenen

Henricus Lucas (Harry) Prenen, pseudoniemen Henri Papou, Hakkie (ook wel Hacqui) Prenen, H.P. (Schoten, 24 maart 1915 – Haarlem, 20 oktober 1992) was een Nederlands historicus, geschiedenisleraar, (gelegenheids)dichter, illustrator, journalist en rederijker. Van zijn gedichten is wellicht het kerstlied Midden in de Winternacht uit 1943 het meest bekend, getoonzet door Jan Mul op de melodie van het Catalaanse kerstlied El Desembre Congelat.
De ballade van de Maagd van Wognum is wellicht minder bekend. Ik moest deze althans opduikelen uit een prisma pocketboekje.
Ik vond het een erg leuke tekst en ging op zoek naar bijbehorende muziek. Toen ik dat nergens kon vinden besloot ik het zelf maar op muziek te zetten. De eerste tekst door mij van muziek voorzien, het begin van enkele honderden, wat ik noem volksrijmen en gedichten van gerenommeerde en minder gerenommeerde dichters.

De Maagd van Wognum

Gij dames en gij heren,
Komt en luistert naar mijn lied
Naar wat wonderlijke dingen
er te Wognum zijn geschied
Hoe daar een maagd van twintig jaar
drie schurken was te gouw
Zoals dat wel eens meer gebeurt
met ene zwakke vrouw.

Was midden in november
en de nacht was wild en woest
De waakhond van boerderij
Die sliep en hield zich koest

De maagd zat in het achterhuis
alleen bij het spinnewiel
te naaien en te stoppen
aan haar vaders blauwe kiel

Zij had twee handen aan haar lijf,
van ’t werken nimmer moe
Geen wonder dus want zij melte reeds
voor dag en dauw de koe

Een maagd die zulke dingen
is voor de dood niet bang,
voor spoken op de vliering
en voor muizen in ’t behang

Maar buiten in de duisternis
was het die nacht niet pluis
Drie rovers slopen heimelijk
Op sokken om het huis

Zij wisten al de boer zijn geld
zat ergens in een kist
Zij hadden zwarte maskers voor
en riepen telkens psttt.

De eerste wou van lieve kind
dat binnen zat een zoen
En voorts wat een ellendeling
met maagden pleegt te doen

De tweede was een moordenaar
vol bloedwraak en geweld
De derde was een bankroetier
De aasde op het geld.

De maagd dacht wat komt vader laat
En keek door het vensterruit
Ze zei geen boe ze zj geen ban
En zeeg niet op de grond
Maar holde naar het kelderhok
Alwaar de geldkist stond.
En bovendien een molensteen
en ook een worstmachien
Wat dat er mee te maken heeft
geduld dat zult gij zien.

Want God helpt iedereen
die een uitweg weet,
Dus hield zij bovenaan trap
de molensteen gereed

De eerste kroop door het venstergat
met ontucht in’t gemoed
In lichterlaaie stond hart
van hete minnegloed

Terug naar Gezongen gedichten

De Maagd van Wognum
Tekst: Harry Prenen
Toonzetting en muziek: Anton Greefkes

Doch eer hij van haar rode mond
een kus gestolen had
Viel pats de molensteen
en was de rover plat

De tweede kroop door’tvensterruit
en dorstte naar haar bloed
doch godzijdank de pauwenveer
op zijn Garbaldihoed

Die raakte in de worstmachien
meteen greep zij het rad,
en draaide aan de worstmachien
Totdat zij bloedworst had

Vol geldzucht sloop de derde
op zijn tenen naar de kist
Maar ach wat een duitendief
van vrouwelijke list

De deksel stond omhoog,
de maagd sloeg heimelijk hem ga
het geld lag handenvol te grijp
De rover riep haha

Hij stak zijn stomme kop erin
pats sloeg de deksel dicht
De maagd er bovenop
de rest deed haar gewicht
Zo sneed zijn levensdraad in twee
want voordat hij het wist
lag daar zijn lichaam op de vloer
zijn hoofd viel in de kist

Zo werden plots drie rovers
van hun voorbestaam beroofd
Gedrieen door een maagd alleen
En wie dat niet geloofd
Die moet maar eens naar Wognum gaan
Daar staan ze nog bewaart
In Raadhuis daar op brandewijn bewaart
Daaronder meld een etiket
De oorzaak van hun sterven
Een meisje brengt pas mans genoeg
Drie mannen ten verderve