De Daad

C.S. Adema van Scheltema

Wie is het die de zwarte voren
In golvend goud verandren doet,
Wie mesten en wie maaien_’t koren,
Wie is het die de wereld voedt?
Dat zijn de paarden en de ploegers,
Dat zijn de zweters en de zwoegers,
Dat zijn de zaaiers van het zaad.
Dat is de daad!

Wie graaft de glinsterende kolen,
Wie schept het schitterende zout,
Wie haalt uit diepe duistre holen
Het gele glanzend zachte goud?
Dat zijn die in het donker graven,
Dat zijn de slovers en de slaven,
Dat is de zwarte kameraad
Dat is de daad!

Wie zijn het die de wereld tooien
Met hunne wapperende vlag,
Die rode bloesems om zich strooien
Gelijk een eeuw’gen lentedag?
Dat zijn de werkers en de wakers,
Dat zijn de sterken en de stakers,
Dat zijn de mannen van de straat
Dat is de daad!

En wie die hunne vaandels vlechten
Tot énen rozeroden band,
Die voor een nieuwe wereld vechten
En sterven voor_’t beloofde land?
Dat zijn de muiters en de makkers,
Dat zijn de taaie rooie rakkers,
Dat zijn de slopers van den staat
Dat is de daad!

Spoorwegstaking 1903
De Daad
dichter C.S. Adema van Scheltema
toonzetting: Anton Greefkes

Terug naar C.S. Adema van Scheltema