Ballade over moederverdriet

Deze ballade is een gedicht Marie Boddaert.
Marie Boddaert, geboren als jonkvrouw Maria Agatha Boddaert (Middelburg, 6 februari 1844 – Den Haag, 12 april 1914), was een Nederlandse dichteres en schrijfster.

Het schip voer weg,
het zonlicht ging met hem
Nog hoorde zij het laatste woord
dier jonge diepe stem

Tot weerziens moeder en zijn kus
die op lippen brandt
Zijn blik die lang de hare zocht,
het wuiven van zijn hand

Zij bergt het alles in haar hart
Geen dag geen nacht gaat om
Of voor haar ogen rijst het beeld
houd moed, “ik kom weerom”.

Nooit dof is ’t oog, nooit bleek haar wang
Als zij zijn brieven leest
Die liggen voor haar neer
Zij leest de laatste het meest

En prest haar lippen op zijn naam
en op zijn jubelkreet
Ïk kom terug mijn laatste brief”
Houd huis en hart gereed!

Een kille lichteloze nacht
Was ’t leven zonder hem
Hij keert de nacht heeft uit,
Weldra hoort zij zijn lach zijn stem.

En drukt zij hem in de arm en voelt,
zijn kus en strijkt zijn haar
Zijn donk’re lokken van ’t gelaat
Veranderd niet voor haar.

Zij zit en staroogt uren lang
Daar staat het reuzegroot,
“Ik kom weerom!” Wordt nimmer waar
Men zei: “Uw zoon is dood,

Hij stierf op zee en nog veel meer<
Zij heeft het niet verstaan
“Hij komt weerom”, zo fluisterd’zij
En kijk u lachend aan.

En iedere morgen wacht zij hem
Dan gaat zij naar de ree
En doolt de schepen langs, en tuurt
Naar de eindeloze zee

En iedre middag wacht zij hem
en zet zijn stoel gereed
Er toeft een glimlach op’t gelaat
In ’t feest’lijk zondagskleed

En ieder avond wacht zij hem
en strookt zijn peluw glad
En luistert tot het laatst geluid,
Gestorven is in stad

En als zij ’t oog voor altijd sluit
Dan is’t schoon bleek en stom
als murmelden haar lippen nog,
Houd moed ik kom weerom

Nu drukt zij hem in d’arm en voelt
En kust en striujkt zijn haar
Zijn donk’re lokken voor ’t gelaat
Zijn niet vergrijst voor haar

Ballade vol moederverdriet
Getoonzet, gezongen begeleidt Duitse concertina
Anton Greefkes

Terug naar wat Wal & kant raakt